Niets gebeurt vanzelf: Het verlanglijstje van programmeur Ruth Benschop
Wat wensen programmeurs, programmamakers, festival organisatoren, curatoren zichzelf en elkaar toe? Wat gunnen ze hun eigen veld? Welke agenda voor hun toekomst schetsen ze daarmee? En wat wordt daardoor zichtbaar over wat er voor hen op het spel staat? Over waar de grenzen van hun hoop en voorstellingsvermogen liggen? Op basis van een-op-een gesprekken met (voornamelijk theater) programmeurs en programmamakers over hun werk, stelde Ruth Benschop (lectoraat What Art Knows) deze verlanglijst van de programmeur samen.
Lees en leef mee met hoe programmeurs zoeken naar inhoudelijke verdieping, maar ook waken tegen navelstaren. Hoe ze zich soms eenzaam voelen en onterecht beknot. Hoe ze zullen blijven vechten voor hun makers, maar ook het recht van hun eigen professionaliteit verdedigen. Hoe ze houden van wat ze jonge makers zien maken en dat altijd willen blijven doen.
Ik wens:
Dat we het werk dat we allemaal doen ook echt als een veld beschouwen, met alles erop en eraan.
En dat we samen verantwoordelijkheid voor dat veld nemen.
Ja.
En dat we allemaal de makers met wie we werken zouden helpen te begrijpen hoe het systeem waarin zij werken functioneert. Voor hen, maar ook voor elkaar. Dat we dat ook met elkaar delen. Ja, dat de dingen die we in onze eigen context doen inderdaad met collega’s elders delen, omdat ze voor iedereens werk als programmeur van belang kan zijn.
Ja.
Ja. En dan vraag ik me ineens af of er ook een opleiding zou kunnen komen voor programmeurs.
Hmm. Wat voor een opleiding zou dat zijn? En wat zou dat betekenen voor ons werk, ons veld?
We spreken zo vaak in het jargon van al die mensen met wie we samenwerken. Zouden we ook wat vaker over ons eigen werk kunnen praten met onze eigen stem en in onze eigen taal. En dan niet alleen over dat wat we programmeren, maar over programmeren zelf, wat is dat werk eigenlijk?
En dat we ook eens tegen onszelf kunnen zeggen: ja, zie je wel, je intuïtie klopt. Doen we dat wel genoeg?
Dus dat we vanuit onze eigen praktijk kunnen bepalen of het goed is wat we doen. Naast wat we betekenen vanuit het perspectief van anderen – voor makers, voor publiek, voor onze organisatie. Dat onze eigen praktijk en hoe het daarmee gaat ook al een beoordelingscriterium mag zijn. En dat we dus passende en relevante vormen van evaluatie van ons eigen werk ontwikkelen.
Dan zouden we ook aandacht kunnen besteden aan de verhalen die we onszelf vertellen, de argumenten die we ontwikkelen. En die met elkaar delen. De verhalen over hoe we tot keuzes komen. Die verhalen waarmee we onze keuzes verantwoorden en daarmee wat dragelijker maken. Voor anderen, ook voor onszelf.
Of dat ik stiekem, altijd een andere programmeur bij me zou kunnen hebben, in mijn achterzak, om even mee te sparren, tussen mijn (en jouw) deadlines door.
Dat we elkaar bewuster opzoeken, zodat we elkaar kunnen bevragen, inspireren, terugfluiten en vooruithelpen.
Ja.
En dat we dan samen even kunnen stilstaan. Om te midden van alle drukte eens te kunnen spreken over waarom jij en ik dit vak beoefenen.
Ja, waarom staan we niet wat vaker stil? Om echt met elkaar te praten, over dat programmeren zelf, wat is dat eigenlijk voor werk?
Ja.
Dan voel ik me misschien soms wat minder alleen.
En dat er dan ruimte is om ons vak te onderzoeken, te verdiepen. Dat we ruimte ervaren om te kunnen zoeken, klooien.
Ruimte en vaardigheden zodat ik eens echt aandacht kan besteden aan wat ik zeg, bijvoorbeeld wanneer ik iets uitleg aan een maker.
Dat we voeding krijgen.
Ach en dat we meer vrije ruimte zouden hebben voor keuzes waar we geen verantwoording over hoeven af te leggen, niet altijd maar weer: hoe leg ik het uit?
Jaaaaa!
Of dat dat uitleggen minder talig zou hoeven zijn.
Hoe zou dat eruitzien?
En als we het nu toch hebben over de manier waarop we selectie organiseren en legitimeren: waarom moeten makers steeds opnieuw hun werk aan ons presenteren? Kunnen we dat niet omdraaien, dat wij en wat we voor makers zouden kunnen betekenen presenteren aan hen?
En dat we dan meteen ook wat papierwerk zouden kunnen overslaan, wat hoepels kunnen negeren waar we steeds doorheen moeten springen. Minder moetjes. We verbranden de administratie!
Ja, en dan kunnen we sneller programmeren, waardoor het relevant is voor nu.
Ja, voor nu. En zodat het leven nog in dat werk zit.
En ook in ons! Dat we onszelf niet alleen op de lange termijndoelen moeten richten. Programmeren alsof het vandaag je laatste dag is. Wat is er nu echt belangrijk?
Maar ook dat we niet onder de financiële druk bezwijken, en de wensen van al die betrokkenen, subsidieverleners en partners. Dat we ons blijven uitspreken namens onze makers.
Och, en dat we altijd, altijd, veel mogen blijven zien. Zodat we blijven (bij)leren hoe dit vak goed te doen.
En ook de processen achter de schermen, of door makers zelf geprogrammeerd en ongeïnstitutionaliseerd werk, zodat we snappen hoe het is en waar het misschien heen kan gaan.
Sowieso, dat we lang mogen blijven werken in het veld, zodat onze voeten stevig in de klei staan. Hoe zorgen we daarvoor?
Maar het moet ook niet te klein, te benauwend worden.
Zouden we ook doelen kunnen verzinnen, normen voor ons vak die heel ver in de toekomst liggen? Minder gevoelig voor de waan van de dag. Het grotere verband.
Dat we ons niet te veel vereenzelvigen met de positie die we hebben, het veld waar we onderdeel van zijn. Dat we soms een buitenstaanders’ perspectief proberen in te nemen, zodat we geen contact verliezen met wat er buiten de podiumkunsten gebeurt.
Ja.
Of iets anders. Dat we meer ruimte krijgen, van subsidieverstrekkers, maar ook van ons publiek, om buiten de lijntjes te kleuren, om ontwikkeling en experiment te kunnen programmeren.
Dat er waardering van anderen is, een bewustzijn van dat mooie achtergrondwerk dat we doen. Niets gebeurt vanzelf.
Nee, niks.
En dat we altijd gul blijven naar makers, toch kopjes koffie blijven drinken ook als we geen geld meer hebben te geven, toch op die mail reageren, toch coachen, toch kletsjes en haakjes blijven geven, ruimte blijven zoeken.
En ook dit. Dat we samen zouden kunnen leren om het ongemak te dragen van de ook strategische motieven die een rol spelen in dit werk. Hoe we soms ook niet authentiek, niet helemaal transparant kunnen zijn naar de maker. Hoe dat moet, dat ik die persoon die ik niet wil zijn, toch ben. Hoe dat te verdragen.
Dat we niet bang zijn.
Want ja, we zijn collega’s, vrienden en ook soms concurrenten. Zo is het georganiseerd. We moeten iets verzinnen tegen dat systeem. Fuck it, we moeten gewoon gaan delen.
Maar ook dat we niet bang moeten zijn om niet precies te weten wat we maken of presenteren. Niet bang om niet zeker te weten of er wel publiek is, of hoe we dat publiek kunnen bereiken. Niet bang om gewoon hele rare en radicale dingen te presenteren. Dingen die – ja – ook wel eens faliekant de plank misslaan. Wij, programmeurs, artistiek leiders, programmamakers, poortwachters, maar ook impresariaten en makers zelf. Allemaal.
Verantwoording: Ik (Ruth Benschop onderzoeker in het lectoraat What Art Knows, Zuyd Hogeschool) ging in gesprek met programmeurs, programmamakers, festival organisatoren, curators, artistiek leiders, en mensen in vergelijkbare functies, die zich aan hadden gemeld voor de tweede editie van Consultatiebureau de Badkuip die plaats vond tijdens Festival Cement op 26, 27 en 28 maart 2026. In een-op-een gesprekken stimuleerde ik reflectie op het prachtige, spannende, verantwoordelijke vak van programmeren en programma maken, over wat het betekent om poortwachter te zijn, over het creëren van legitimiteit, over verzet, en over de brandende vraag hoe je het goed doet. De gesprekken waren er vooral voor de gesprekspartners zelf. Dat past in de onderzoekstraditie van het lectoraat What Art Knows waarin we onderzoek doen in en naar generositeit. Hoe kunnen we zo onderzoek doen, dat dit onderzoek van betekenis is voor jou?
Sommige gesprekspartners observeerden de gesprekken een beetje op therapie leken. Ik ben geen therapeut, maar ik vroeg wel naar persoonlijke ervaringen en reflectie daarop. Mijn belangstelling daarvoor is omdat dergelijke ervaringen iets tonen over de dagelijkse praktijk van het programmeerwerk. Dat waar soms weinig taal ovoorhanden is en weinig tijd voor uit wordt getrokken.
Ik maakte voor deze verlanglijst gebruik van de wensen die ik gesprekspartners expliciet vroeg te formuleren, van de wensen die ik wat meer terloops tijdens de gesprekken hoorde langskomen, aangevuld met wensen die ik zelf formuleerde op basis van wat ik leerde tijdens de gesprekken dit en vorig jaar. Ik maakte geen selectie van de wensen, maar heb ze wel geordend en soms geherformuleerd. Daarbij baseer ik me op het werk van Denzin (2001, 2003; Römgens 2024) over het reflexieve en performatieve interview. In dit werk wordt een interview niet gezien als een instrument voor dataverzameling en de gesprekspartner niet als bron van informatie. Het interview of het onderzoeksgesprek is een situatie die, reflexief, esthetisch en sociaal ontstaat en gemaakt wordt door bedoelde en onbedoelde gebaren van beide gesprekspartners. Het analyseren van materiaal uit dergelijke situaties is zelf op eenzelfde manier constructief. Het maakt gebruik van en doet recht aan het gesprek, maar is ook een zelfbewuste, nieuwe creatie, die fictieve elementen kan bevatten, en bijvoorbeeld de vorm van een script kan aannemen.
Denzin N. (2001). The reflexive interview and a performative social science. Qualitative Research 1(1): 23 – 24.
Denzin N. (2003). Reading and writing performance. Qualitative Research 3(2): 243 – 268
Römgens, I. T. H. (2024). The Troubled Suitcase: Taking Seriously Collaborative Artistic Research Practices [PhD]. Maastricht University.